Bouwbedrijf veroordeeld voor discriminatie

Tot genoegdoening van de slachtoffers heeft de rechter een bouwbedrijf veroordeeld tot een geldboete van 1500 euro waarvan 750 euro voorwaardelijk omdat de eigenaar weigerde samen te werken met een homostel.

Toen een homostel een offerte opvroeg bij een bouwbedrijf kregen zij als reactie: ‘Heeft u een mannelijke partner zoals lijkt uit uw mailadres? Sorry, maar als dat zo is passen wij echt niet bij elkaar. Dit druist te sterk tegen mijn principes in. Ik denk dat wij daardoor een teveel verstoorde samenwerking zullen hebben. Dit kunnen wij beter maar gelijk bespreken toch?’

Het stel informeerde bij het Meldpunt Discriminatie Regio Amsterdam (MDRA) naar de mogelijkheden om hiertegen een klacht in te dienen. In het kader van hoor en wederhoor heeft het MDRA bij het bouwbedrijf gevraagd om een verklaring. Het bouwbedrijf gaf aan: “ik zie het niet als discriminatie, maar als vrijheid van meningsuiting. (..) ik probeer mijn leven te baseren op het christelijke geloof waarin de bijbel de leidraad is. Vanuit deze principes gezien kan en wil ik geen zakelijke relatie met hun opbouwen. Het kan niet zo wezen dat ik mijn eigen klantenkring niet mag kiezen (..)” Nu een briefwisseling geen verandering teweeg bracht, adviseerde het MDRA om de klacht voor te leggen aan de Commissie Gelijke Behandeling of om aangifte te doen. Het stel koos voor het doen van aangifte. Het MDRA heeft daartoe de aangifte opgesteld.

Aangifte is zinvol om meerdere redenen. Het strafrechtelijk verbod van discriminatie in Nederland is beperkt tot discriminatie van personen wegens hun homoseksuele gerichtheid. Artikel 429q Sr is van toepassing omdat de mannen expliciet wegens hun homoseksuele gerichtheid worden geweigerd. Daarnaast leent de casus zich bewijstechnisch voor aangifte omdat het bouwbedrijf de afwijzingsreden in een mail noemt. Verder kan er jurisprudentie worden gegenereerd over de vraag of een beroep op vrijheid van godsdienst kan slagen om mensen op grond van hun homoseksuele gerichtheid uit te sluiten van zakelijke dienstverlening. Ten slotte kan in een strafrechtprocedure een geldboete worden toegekend als immateriële genoegdoening. Dat is een in civiele procedure zoals een verzoek aan de Commissie Gelijke Behandeling niet mogelijk.

Het MDRA heeft de mogelijkheid om via het Regionaal Discriminatie Overleg (RDO) waarbij politie en het Openbaar Ministerie zijn vertegenwoordigd het verloop van de aangifte te volgen. Dit had onder meer als voordeel dat de slachtoffers tijdig konden worden geïnformeerd over de zittingsdatum en de uitspraak.

De kantonrechter overweegt dat artikel 429q Sr beperkingen heeft gesteld aan de vrijheid van godsdienst door te verbieden dat er wordt gediscrimineerd in het sociaal-economisch verkeer. Dit betekent dat verdachte, hoewel hij vrijstaat zijn leven in te richten in overeenstemming met zijn geloof, anderen niet ten achter mag stellen of uitsluiten in de uitoefening van zijn bedrijf. Het verweer op vrijheid van godsdienst wordt daarom verworpen. De verdachte is derhalve strafbaar. Het MDRA is verrast met de verhoging van de geldboete. De officier van justitie vordert namelijk een voorwaardelijke geldboete van € 250,00. Een dergelijke lage voorwaardelijke boete zou volgens de kantonrechter kunnen leiden tot een afnemend vertrouwen in de mogelijkheden om door middel van het recht discriminatie te bestrijden en staat in schril contrast tot de ernst van dergelijke feiten. De slachtoffers achten het belangrijk dat hiermee een statement kan worden gemaakt.

De uitspraak van de kantonrechter is na te lezen op de website www.rechtspraak.nl  LJN: BN8113, Rechtbank Arnhem, 23-09-2010

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Jessica Silversmith, directeur MDRA – 020 638 55 51.

-A +A